Ze vroeg een beetje melk. Dat vraag je al vijfenveertig jaar, dacht hij | column

Joost Prinsen

Ze trok aan zijn pyjamajasje. „Ben je wakker”, vroeg ze. Hij richtte zich even op en keek op de wekker, het was 3.36 uur. „Ik heb trek in koffie”, zei ze. Hij stond op, stapte in zijn sloffen en trok zijn kamerjas aan. „Dan gaan we een lekker kopje koffie maken”, zei hij. Hij liep de slaapkamer uit en stak het halletje over naar de keuken.

„Een extra kamer beneden is goud waard”, had de makelaar veertig jaar geleden gezegd. En hij had uitgeweid over al die oudere mensen die er een slaapkamer van maken. Twee jaar geleden was het zover, het scheelde dagelijks veel trappen lopen.

Hij deed water en koffie in het apparaat en drukte op de knop. Het maakte een enorm kabaal in de stilte van de nacht. Of er een mitrailleur werd afgeschoten. Ze vroeg om een beetje melk. Dat vraag je al vijfenveertig jaar, dacht hij.

„Wat een lief klokje”, zei ze. „Dat hebben we vorige maand van de kinderen gekregen”, zei hij, „ vanwege ons vijfenveertig jarig huwelijk. Omdat jij altijd klaagt dat je vanuit de keuken de klok in de woonkamer niet kunt zien.” „Dat is waar. Waren ze er, de kinderen”? vroeg ze.

Hij vertelde over hun dochter die gekomen was met taart en hun zoon die gebeld had vanuit Ierland. Ik kom pas op jullie gouden bruiloft, had hij gezegd. Een geintje natuurlijk, hij komt immers ieder jaar over met de Kerstdagen.

Het was even stil. „Wat een lief klokje”, zei ze na een paar minuten. „Klopt lieverd”, zei hij, „een erg lief klokje.”

Ze dronk haar koffie en keek hem nadenkend aan. „Mag ik je iets vragen”, zei ze toen. Hij schrok. Hij wist wat ze wilde vragen. Ze had die vraag de afgelopen maand al een paar keer gesteld. Heel voorzichtig, dat wel. En steeds ingeleid met dat bescheiden ’Mag ik je iets vragen’. Hij overwoog even om haar af te leiden met een verhaal over de kinderen of over de kat die laatst een muis gevangen had. Maar hij beet door de appel heen: „Natuurlijk lieve, wat wil je weten”?

Ze wachtte even en zei toen zachtjes: „Wie ben jij eigenlijk?” „ Ik ben je man”, zei hij, dat weet je toch wel? Ik ben al vijfenveertig jaar je man.”

„Goh, echt waar”, vroeg ze. „Echt waar”, zei hij, „zullen we nu maar weer gaan slapen?” „Dat is een goed idee”, zei ze, „het is vast al laat.”

Ze staken het halletje over. Hij deed zijn kamerjas en sloffen uit en stapte weer in bed. Het was 4.12 uur.

Net binnen