De bollenhoofdstad van de wereld kan niet op haar lauweren rusten. Bollenteler Daan (26): ’Ik steek mezelf in de schulden. Maar hier ligt mijn hart’

Daan van Steijn neemt bollenbedrijf over.© Foto Hielco Kuipers

Rens Lieman

Kalkrijke zandgrond en de bloembollen die er zo goed in groeien werden het goud van de Bollenstreek. Maar om dat ook in deze tijd te gelde te maken moet er bikkelhard gewerkt worden. Een profiel van de streek, en een blik op haar nog ongewisse toekomst.

Je ziet ze door de voorruit van je camper, vanaf een rondvaartboot, op de snelweg door een tourbusraam of gewoon vanaf de fiets, op de hoger gelegen wegen over wat vroeger duinruggen waren. Bloemen. Bloemen zover als je kijken kunt. Tapijten gele tulpen, paarse hyacinten, oranje lelies. Elk jaar weer trekken ze miljoenen toeristen aan. Van heinde en verre - China, India, de VS - komen ze naar ‘de Bollenstreek’, de Zuid-Hollandse kuststrook tussen Leiden en Haarlem, om zich hier in een levende ansichtkaart te wanen.

De bloemen stelen de show, het geld zit in de bollen, die ondergronds hun werk doen. In een bol zitten de voedingsstoffen voor de plant. Bollentelers zorgen ervoor dat de energie niet aan een bloem verspild wordt maar in de bol blijft, die dan zal groeien en zich zal vermeerderen. Eenmaal groot genoeg worden de bollen verkocht aan klanten over heel de wereld. Vorig jaar werd er voor bijna een miljard euro aan Nederlandse bloembollen geëxporteerd.

In de Bollenstreker aarde - kalkrijke zandgrond, een zeewindje dat eroverheen blaast - groeien ze het best. De bollen brachten de regio werk en welvaart, creëerde dynastieën van bollenfamilies; ze bleken het goud van de Bollenstreek, dat uitgroeide tot bollenhoofdstad van de wereld. Sindsdien gaan hier de bollenteeltbedrijven van vader op zoon.

Maar Nederland legde nieuwe, veel ruimere tuin- en akkerbouwgebieden aan, die de Bollenstreek (gemeten naar productie) van de troon stootten. Tegenwoordig groeit nog maar acht en een half procent van de Nederlandse bollen in de Bollenstreek. Terwijl het grootste deel van de grond in dit gebied nog altijd voor die bollenteelt gereserveerd is.

De politiek geladen vraag die opkomt: is de Bollenstreek nog wel een échte bollenstreek?

Zomer 2022 — rooitijd in de Bollenstreek. Aan de Westeinde in Noordwijkerhout lost een stortbunker honderden pas uit de grond gehaalde tulpenbollen op de lopende band van een machine die ze schoonmaakt en op grootte sorteert. Daan van Steijn ziet erop toe dat de nieuwe machine zijn werk goed doet. Het gezicht is bruin van de zon, aarde bevlekt zijn lichtgrijze poloshirt, op de borst het bedrijfslogo: ‘Fields Source of Flowers, bloembollenbedrijf’.

Zijn bedrijfslogo. Was hij vorig jaar nog in loondienst, nu, op zijn 26ste, is hij aandeelhouder van een van de werkmaatschappijen onder de bv van zijn ouders. De eerste stap op weg naar bedrijfsopvolging. Samen met zijn vriendin was Van Steijn naar de notaris gegaan. ‘Toch een bijzonder moment.’ Daarna even een hapje gegeten met zijn ouders, om het te vieren. Glaasje champagne erbij.

Fields Source of Flowers is een middelgroot bollenteeltbedrijf in de Bollenstreek. De familie Van Steijn teelt freesiaknollen voor de wereldwijde handel (zie kader) en tulpenbollen die exclusief worden verkocht aan een broeierij. Het bedrijf beteelt iets meer dan zestig hectare grond, het merendeel in de Bollenstreek. Een dozijn daarvan, 17 voetbalvelden, vormt de eigen achtertuin.

Het plan voor bedrijfsovername lag al een poos klaar, maar in 2021 moest Van Steijn, vierde generatie bollenteler, eerst bewijzen dat hij het werk aankan. Daarnaast had Van Steijn zelf nog zo zijn twijfels om zich over te buigen.

‘Met de overname van een deel van de aandelen steek ik mezelf flink in de schulden,’ vertelt hij op de veranda voor het kantoortje. ‘Terwijl de bollenteelt voor belangrijke uitdagingen staat. We moeten anders omgaan met gewasbeschermingsmiddelen, het is puzzelen hoe we daar aan gaan voldoen zonder minder te oogsten of te verdienen. En het is nog maar de vraag hoeveel bollengrond er overblijft in deze streek. Men wil hier namelijk ook huizen bouwen.’

Lees ook: Tussen en hoop en vrees in de bollenvelden: ’Ze vallen de streek aan, Joop, je moet iets doen. We gaan eraan!’

‘Er kwam echt onwijs veel op me af. Zo veel, dat ik me af begon te vragen: joh, waarom zou ik het überhaupt gaan doen?’

Nou?

‘Het is voor een buitenstaander misschien lastig te begrijpen, maar ik voel aan alles dat dit het vak voor mij is. Ik sta elke ochtend op met goede zin om aan het werk te gaan. Het meeste van mijn werk, vindt buiten plaats. Je moet overal wat vanaf weten: van biologie tot logistiek en van management tot ict. De wereld waar ik in werk… de mensen zijn zo heerlijk direct allemaal, je weet wat je aan elkaar hebt. Het is een kleine wereld, maar een uitdagende. Ik ben uiteindelijk op mijn gevoel afgegaan. Hier, op de bollenvelden, ligt mijn hart.’

Wie wil weten hoe de Bollenstreek en bollenstreek geworden is, hoeft maar op een braakliggend terrein de blik naar beneden te richten, misschien nog een beetje de grond om te woelen met de voet. Het zand en de schelpjes die zichtbaar worden vertellen het begin van het verhaal.

Het gebied dat we nu de Bollenstreek noemen, is in de middeleeuwen nog bebost duinlandschap. Tussen de oude en jonge duinen in, lager gelegen strandvlakten met vochtige veengrond. Kleine boerengemeenschappen vestigen zich op de duinruggen (zodat ze van twee verschillende grondsoorten gebruik kunnen maken: zand voor een goede fundering van het huis, sappig veenland voor de groei van gras) om in het gebied graan en vee te telen en turf te steken. Rijke stedelingen lieten er hun buitenplaatsen bouwen.

In de zeventiende en achttiende eeuw worden duinen afgegraven om zand te winnen voor stadsuitbreiding en wegenaanleg in Leiden, Den Haag, Haarlem en Amsterdam. Daarmee ontstaat een zanderijlandschap van regelmatige sloten waarover het zand werd afgevoerd, en overgebleven hoge wegen die op het oude duinniveau lagen.

Het nieuwe landschap creëert ook een nieuwe toekomst. Door het afgraven van de duinen komt de kalkrijke, zandige bodem dichter boven het grondwater te liggen. Dat blijkt een uitstekende voedingsbodem voor bloembollen. Later zouden ook de natte en venige strandvlakten worden omgespoten (een techniek waarmee de zand uit de ondergrond naar boven wordt gehaald) tot bollenvelden. Over de oude zandsloten kunnen de bollen goed vervoerd worden, en de zeewind verkleint het risico op virus- en schimmelziektes.

Alle ingrediënten voor een succesvolle bollenteeltindustrie zijn in huis en eind negentiende eeuw krijgt zo’n beetje heel de wereld interesse voor bloemen. Tuinders, die voor die tijd nog voornamelijk vruchten en fijne groenten teelden, verleggen hun focus naar de bloembollenteelt. Volgens een vaste, praktische bouwstijl bouwen ze schuren voor het drogen, opslaan en pellen van de bollen. Handelaren vestigen zich in de buurt, veilingen worden opgericht. De teelt en handel brengt grote welvaart.

Uiteindelijk wordt er in de streek ruim 2600 hectare aan bollenvelden aangelegd. Daarmee is het grootste deel van het land in de Bollenstreek in gebruik voor de bollenteelt.

Van Steijn buigt zich over een ‘kuubkist’: een houten kist van één kubieke meter waar de bollen in opgeslagen worden, je ziet ze in deze rooiperiode overal in de Bollenstreek. Hij grabbelt wat, haalt er een van zijn bollen uit. Naast hem een man met in een in de broek gestopt geruit overhemd die hetzelfde doet. De gewasbeschermingsmiddelenadviseur is op bezoek om de oogst te controleren. De twee inspecteren de bollen op eventuele ziektes - even met het blote oog - en kijken of ze goed gegroeid zijn.

‘Hier werk je heel het jaar naartoe,’ zegt de jonge bollenkweker. ‘Je hebt in de winter een plan gemaakt: hoe zo’n bol moet groeien en hoeveel en welke gewasbeschermingsmiddelen daar voor nodig zijn. Nu zien we eindelijk hoe het heeft uitgepakt.’

En?

‘Het is een goede oogst dit jaar.’

Tot de jaren tachtig van de vorige eeuw, toen mechanisatie tot schaalvergroting leidde, waren in de Bollenstreek honderden bollenteeltbedrijven gevestigd met elk een á twee hectare grond. Genoeg voor een goede omzet. Tegenwoordig heeft een middelgroot bollenbedrijf een hectare of vijftig nodig. Per seizoen levert dat zo’n vijfentwintig miljoen verkoopbare tulpenbollen op.

Door schaalvergroting zijn er nu nog honderddertig bollenteeltbedrijven over in de streek. Zestig procent minder dan in 2000, landelijk is het aantal bollenteeltbedrijven in die periode met veertig procent verminderd. In de Bollenstreek is het lastig groeien. Bedrijven moeten hier haast hectare voor hectare hun areaal zien uit te breiden, en die nieuwe stukken grond liggen meestal niet netjes naast elkaar. De grond waar een bedrijf op teelt ligt zodoende versnipperd door de streek, wat het planten, rooien en verwerken van de bollen logistiek gezien een ingewikkelde operatie maakt.

Het totaal agrarisch areaal, de taart waar iedereen een hap van wil, wordt niet groter. De Bollenstreek ligt ingeklemd tussen het Groene Hart (oost), de zee (west) en stedelijke gebieden (noord en zuid). Daar komt bij dat er in de streek zelf allerlei zwaarwegende ‘ruimteclaims’ op de grond liggen. De politiek lijkt eerder geneigd meer grond vrij te maken voor woningbouw dan voor bollenteelt. De meeste bollenbedrijven telen daarom ook aardig wat buiten de streek in andere Nederlandse bollengebieden, en hebben soms zelfs grond in het buitenland (zoals Brazilië en Chili, om heel het jaar rond te kunnen telen).

‘Wat doen we hier nog?’, is weleens door Van Steijns hoofd geschoten. Een bollenbedrijf in Nieuw-Zeeland waar hij werkervaring op deed, had 120 hectare grond om op te telen. ‘Dan kom je weer thuis en moet je het met de helft doen.’

Maar waar het de Bollenstreek ontbeert aan ruimte, heeft het nog altijd dat gunstige bollenteeltklimaat: vruchtbare grond, genoeg koude periodes, zuiverende zeewind, goede afwatering. En: ‘Iedereen die je nodig hebt is in de buurt,’ zegt Van Steijn. ‘Adviseurs, machine- en robotbouwers die zich speciaal op de bollenteelt richten… Nieuw-Zeeland heeft ónze machines nodig, om maar iets te noemen.’

‘Ja, het is flink puzzelen met de ruimte. Maar de voordelen wegen zwaarder. We doen het hier allemaal graag, dat puzzelen.’

In de Flevopolder en vooral de Kop van Noord-Holland is wel ruimte. De omstandigheden daar zijn niet zó goed als in de Bollenstreek, maar goed genoeg voor de meeste bolgewassen. Als je enkel naar productie kijkt, is de Bollenstreek allang niet meer de bollenhoofdstad van de wereld. Nog maar 8,5 procent van de Nederlands bloembollen komt uit Bollenstreker aarde.

In de Bollenstreek hebben teeltbedrijven zich daarom aangepast. Bijvoorbeeld door meer in te zetten op de hyacintenbollenteelt. Die groeien nog altijd nergens beter dan hier, in de hummusarme, leemarme, kalkrijke zeezandgrond. Of door nicheproducten te ontwikkelen, zoals de bol op pot.

Lambert van Horen, sectorspecialist groente, bloemen en fruit bij de Rabobank, ziet dat veel bedrijven in deze streek een andere plek in de keten zoeken: stoppen of minderen met de teelt en zich toeleggen op de handel of veredeling (het ontwikkelen van nieuwe bloemsoorten).

Dat aanpassend vermogen (‘de ene ondernemer past zich pro-actief aan, de ander voelt zich ertoe gedwongen’) heeft er volgens Van Horen voor gezorgd dat bollenbedrijven in deze regio ‘redelijk verdienen’. ‘We zien duidelijk de effecten van schaalvergroting, maar de inkomenssituatie van de bedrijven die overblijven is gezond.’

In heel Nederland slagen zeven op de tien bollenbedrijven erin om het bedrijf op te laten volgen als de tijd zich daar voor aandient. (Naar de Bollenstreek geregionaliseerde cijfers zijn er niet.) Dat continuïteitspercentage is normaal voor landbouwbedrijven. Soms blijven de touwtjes in handen van familie, zoals dat staat te gebeuren bij Van Steijn. Bij WAM Pennings, een van de grootste bollenbedrijven in de streek, vijf kilometer verderop bij Van Steijn, staat Simon Pennings aan het roer, maar diens neef Allan Visser heeft kort geleden ook de eerste stap naar bedrijfsovername gezet.

Van Horen: ‘Het was vroeger heel normaal in deze sector dat een bedrijf van vader op zoon ging of van oom op neef. We zien dat daar verandering in komt. Er zit veel extern geld in de bollenteelt: geld van investeerders die formeel eigenaar worden, maar meestal niet de dagelijkse leiding voeren.’ Dit is bijvoorbeeld het geval bij de Hillegomse Nord Lommerse Flower Bulb Group en bollenteelt- en -handelsbedrijf Royal Van Zanten in Rijsenhout.

Hoewel de sector dus goed boert, wordt de vraag in provincie en gemeenteraden weleens opgeworpen of de Bollenstreek nog wel een echte bollenstreek is. Daar zit een andere, belangrijke vraag aan vast: moet het bloembollenareaal zo groot blijven als het nu is, of kan die ruimte beter anders worden benut?

‘Dan moet je naar meer dan alleen de productie kijken’, legt Van Horen uit. ‘Of bollen nu hier geteeld worden of elders in Nederland, ongeveer een derde van alle Nederlandse bollen worden in deze streek nog gedroogd, verpakt en verhandeld.’ Hij echoot Van Steijns woorden: ‘Allerlei schakels in de keten komen samen in de Bollenstreek: machinebouwers, bemiddelingsbureaus, adviseurs, keuringsdiensten, een heel scala aan handelsbedrijven… De Bollenstreek is de draaischijf van de wereldwijde bollenhandel.’

‘Zo’n centrale rol op de wereldmarkt doet een regio goed,’ legt hij uit. Het creëert kennisbanen, die essentieel zijn in de moderne economie. En doordat alles bij elkaar in de buurt zit, vindt hier ook innovatie plaats en is er veel kennis. Telers uit de Bollenstreek hebben een informatievoorsprong.’

Als je goed luistert, hoor je onder het draaiorgelmuziek, vogelgezang en gekeuvel van de Keukenhofbezoekers ook het kunstmatige geluid van telefooncamera's die afdrukken. Ieder bloemenperk op het Keukenhof, omgeven door gras, vijvers en bomen, leent zich voor een mooie Instagram-post. Het thuisfront van de veelal buitenlandse bezoeker zal zich vergapen aan al die Hollandse bloemenpracht.

In de 32 hectare grote Keukenhof-tuin stellen bollenkwekers hun bollen tentoon. Het is hun etalage. Ze verkopen dan wel geen bloemen, hun bollen zitten ondergronds en ontberen bovendien de kleurigheid, de vrolijke vormen; de aantrekkelijkheid van de bloemen die eruit groeien.

Terwijl de telers hun klanten in de Keukenhof rondleiden, bevolken vooral toeristen de 15 kilometer aan voetpaden. Voor een perk ‘Double Focus’-tulpen in vlammenkleuren (bordjes vermelden het bolgewas en de teler) staan twee Chinese jonge vrouwen. De een houdt de camera vast, iets door de knieën gezakt om ook de vijver erachter in het frame te krijgen, de ander is het onderwerp. Het pant van haar gele rok houdt ze speels opzij en ze lacht met haar mond en met haar ogen.

Toenmalig Keukenhofdirecteur Bart Siemerink kijkt er vanuit zijn kantoortje op uit. In de laatste week van het seizoen, halverwege mei 2022, kan Siemerink concluderen dat het een goed jaar is geweest. De toeristenstroom was sneller dan verwacht weer op gang gekomen, Keukenhof ontving dit jaar 1,1 miljoen bezoekers.

Wat trekt hen? Siemerink wijst naar de luchtfoto van de Bollenstreek die ingelijst aan zijn muur hangt. ‘Dit hier, is een we-reld-beroemd stukje erfgoed. Je hebt de piramides in Egypte, de rijstvelden op Bali en de bloemenvelden in de Bollenstreek — nee, echt, het zit op dat niveau! De Keukenhof versterkt die bloemenreputatie, wij laten een licht op het erfgoed schijnen.’

In tourbussen, op huurfietsen of in rondvaartboten kan de Keukenhof-bezoeker nog de streek in voor ‘de authentieke beleving’. Dat is vooral leuk in het bloeiseizoen, als de bloemen nog niet afgehakt zijn (zie kader). Een enkele kweker combineert de bollenteelt met het bedienen van die toeristen.

Tulpenkweker Daan Jansze en zijn vrouw Anja hebben naast hun broeierijkas en bollenvelden - op een bescheiden vijf hectare - een ‘showtuin’ aangelegd: een voetbalveld vol met prachtige dahliabloemen. (In het voorjaar staan hier tulpen.) Exotische soorten met dito namen. ‘U zoekt de “Cafe au Lait”, mevrouw? Tweede pad links,’ wijst Jansze een toerist de weg. ‘Ah, de “Spider Woman”: rechtdoor en dan ziet u ‘m vanzelf: paars van boven, wit van onder, bladeren als de poten van een spin.’

Hier aan de Oude Herenweg in Voorhout gaat het de kweker nu eens niet om de bol of knol, maar om de bloemen die er uit groeien. Toeristen kunnen door het veld lopen, ze aanraken, ruiken, ermee op de foto of een bos van plukken. Bij de in- en uitgang kunnen ze bollen kopen om zelf in de tuin te groeien, op het terras wordt ‘koffie en een appelgebakkie’ geserveerd. Ze kunnen Jansze boeken voor ‘een verhaaltje’. Dan loopt hij met je mee de echte velden in, en vertelt hij hoe een kweker z’n bollen teelt. Agrotoerisme, heet dat.

‘Het werkt als een trein. Verplaats je maar eens in zo’n toerist. Vanaf de snelweg zie je door het busraampje de eerste bollenvelden. “Ooooh.” Daarna rijd je de streek in en komt het allemaal dichterbij. Klik-klik-klik. Vervolgens mag je bij mij, een echte boer, het land op.’

Zo heeft Jansze het verkocht aan touroperators, die een bezoek aan Keukenhof nu combineren met een bezoek aan Janszes ‘Tulperij’. In het hoogseizoen komen er dagelijks meerdere grote bussen zijn terrein opgereden. Met zijn agrotoeristisch product heeft Jansze de mechanisatie overleefd die een bom onder zijn bedrijf had gelegd. Tulpen telen en broeien op vijf hectare kon niet meer uit (zie kader).

Meer bollenbedrijven in de Bollenstreek hebben Janszes voorbeeld gevolgd en een combinatie gemaakt tussen bollenteelt en agrotoerisme. Het aanpassingsvermogen waar Rabobanks Van Horen het over had.

Op regionaal en landelijk niveau speelt ‘bollentoerisme’ een net zo wezenlijke rol. Toerisme levert inkomsten en werkgelegenheid op, vooral voor en in de horeca. Een kwart van de bijna tien miljoen buitenlandse vakantiegangers die in een jaar naar Nederland komen, komt voor de ‘Hollandse iconen’, waar bloemen er een van zijn. Dat blijkt uit data uit 2014 van het Nederlands Bureau voor Toerisme en Congressen (NBTC). Het gros bezoekt de Keukenhof, een kleiner deel gaat ook de streek in, analyseert het NBTC, al heeft het daar geen data van.

Niet alleen de Keukenhof, ook het ‘unieke cultuurlandschap’ van de Bollenstreek is een toeristische attractie, vermeldt een een onderzoek naar de vrijetijdssector in de Bollenstreek dat plaatselijke Rabobanken en de Kamer van Koophandel in 2011 lieten uitvoeren. Want: ‘Elementen uit de geschiedenis van de streek zijn nog overal terug te vinden in het landschap en de bebouwing. Ruïnes, kastelen en buitenplaatsen, monumentale villa's en woonhuizen in de dorpskernen en industrieel en agrarisch erfgoed, zoals boerderijen en bollenschuren.’

In de Bollenstreek is iedereen ervan overtuigd dat om in trek te blijven bij toeristen, de Keukenhof de ‘echte’ bollenvelden nodig heeft en andersom. Daar is alleen geen bewijs voor, laat staan dat er uitsluitsel bestaat over hoeveel hectare bollengrond en hoeveel bollenschuren nodig zijn voor die kruisbestuiving.

Dat aantal buitenlandse toeristen is trouwens een flinke onderschatting. Miljoenen dagjesmensen uit Duitsland en België zijn niet in de telling van het NBTC meegenomen. En dan zijn er nog de binnenlandse toeristen, bij wie de Bollenstreek ook in trek is. Er komen ongeveer net zoveel bezoekers uit eigen land hier naartoe, als naar de Veluwe. Alleen Zuidwest-Friesland is vanwege de Friese meren populairder.

Bollentoerisme goed op waarde schatten is lastig omdat het niet op zichzelf staat. Toeristen kunnen ook voor de strand en de duinen van Katwijk en Noordwijk komen. Het is goed denkbaar dat juist die combinatie van strand en bollenvelden de regio aantrekkelijk maakt (ook al lopen het strand- en het bollenseizoen niet parallel).

Evident is dat als bloemen je vakantiedoel zijn, je naar de Bollenstreek komt. Het NBTC ziet dat de Bollenstreek een goed merk is geworden. ‘De associatie met bloemen is hier sterker en natuurlijker dan in andere Nederlandse regio’s waar ook bollen worden geteeld.’

Een bolleneconomie waarin redelijk wordt verdiend, miljoenen toeristen, een rijke cultuurhistorie en welvarende inwoners; de Bollenstreek lijkt de wind in de zeilen te hebben. Toch laten economische en demografische data een niet al te florissante toekomstbeeld zien. De staat van de streek is zelfs ‘zorgelijk’ te noemen volgens het Leids sociologische adviesbureau Blaauwberg.

Cijfers over werk, ondernemerschap, vergrijzing en opleidingsniveau plaatsen de streek in de staart van een lijst van veertig gemeten economische regio’s. De Bollenstreek heeft nauwelijks veerkracht om tegenslagen op te vangen, zoals economische crises of de coronapandemie, die al het (zakelijk-) toeristisch verkeer lam legde.

De Bollenstreek heeft last van een kennisvlucht (‘brain drain’): jonge, pas afgestudeerde mensen verlaten de streek om in omliggende steden te gaan werken. De helft van de werkende populatie in de Bollenstreek - voornamelijk theoretisch geschoolden - heeft een baan buiten de regio. Dagelijks pendelen zij naar omliggende steden. Niet alleen om te werken, analyseert Blaauwberg, ook om daar te winkelen en naar het theater te gaan. ‘Een streek met een groot pendeloverschot exporteert niet alleen arbeid, maar ook “burgerschap”.’

Het goede woonklimaat van de streek is een voordeel, maar dat alleen legt te weinig gewicht in de schaal, is ‘geen verzekering’ voor een glansrijke toekomst. Bovendien verstaat de nieuwe generatie iets anders onder een goed woonklimaat. Jongeren willen functiemenging, voorzieningen, levendigheid.

De Bollenstreek vergrijst — meer dan andere regio’s, meer dan het landelijk gemiddelde. Vergrijzing zonder voldoende jonge aanwas leidt tot bevolkingskrimp, wat in een paar decennia tijd kan resulteren in halflege stads- en dorpscentra.

Vandaar die ‘zorgelijke’ staat. Weliswaar is het inkomen en vermogen per huishouden hoog, en het woonklimaat voor de huidige, well-to-do-bevolking goed, de streek stevent af op het worden van een ‘rentenierskust’. Een Randstedelijke Veluwe met een ‘zilveren economie’ die gericht is op de verzorging van een vergrijsde popularisatie.

Daar is op zich niets mis mee, schrijven de onderzoekers, en zo houd je het gerust nog een tijdje vol, maar er zijn risico’s. In een economische crisis wordt de toch al kleine economie verder uitgehold. En zonder een duidelijk plan die de Bollenstreekgemeenten samen zouden moeten maken, omdat ze alleen te weinig slagkracht hebben, verliest de streek autonomie en neemt Den Haag straks de beslissingen. ‘Dan wordt de streek alsnog een Bollenstad,’ zo luidt de voorspelling.

De vijf Bollenstreekgemeenten - Lisse, Hillegom, Noordwijk, Teylingen en Katwijk - hébben een plan. Begin dit jaar kwamen ze met een ‘gezamenlijke uitvoeringsagenda om de economie van de Bollenstreek toekomstbestendig te maken’.

Daaruit blijkt een waardering voor de bollenvelden en het cultuurhistorisch landschap: ‘Als je mensen vraagt wat Holland kenmerkt, dan schetsen ze ons gebied: tulpen, molens, dorpen, oude trekvaarten en de kust met haar duinen. De bollenvelden zijn een gezichtsbepalend, prachtig, kleurrijk onderdeel van het landschap.’

De gemeenten onderscheiden ‘de economie van de bollenvelden’ en een ‘nieuwe economie’, waar kennelijk de toekomst zit. Tot die laatste categorie wordt het Europees ruimteonderzoek- en -technologiecentrum in Noordwijk gerekend, Space Campus, en de ‘Unmanned Valley’ op voormalig marinevliegkamp Valkenburg, een binnen- en buitenlaboratorium voor sensorgerelateerde technologieën voor de tuin- en akkerbouw. De Bollenstreekgemeenten willen deze ‘kennisintensieve sectoren in de streek met elkaar verbinden’. Ook de Noordwijkse en Katwijkse kust en de agrarische sector als geheel worden in dat verband genoemd.

Het realiseren van de woningbouwopgave in de Zuidelijke Bollenstreek is een prioriteit, en de gemeenten willen onderzoek laten doen naar hoe ze een ‘inclusieve, voldoende prikkelende woonomgeving’ kunnen creëren: levendigheid voor jongeren, genoeg werk voor zowel praktisch als theoretisch geschoolde inwoners.

De bolleneconomie is ‘vitaal’, noteren de gemeenten, en om dat zo te houden is landbouwareaal nodig. Maar: ‘De bouw van woningen en de duurzaamheidsopgave (wind- en zonne-energie opwekken) eisen ook ruimte op.’ Daarom zal de Intergemeentelijke Structuurvisie (ISG) worden ‘geactualiseerd’, waarin onder meer het bollenareaal voor de lange termijn stond vastgelegd. Een actualisatie laat ruimte voor het verkleinen daarvan.

‘De bollenvelden en de sierteeltsector zijn van grote economische waarde door de teelt, handel en kennis. Maar het moet duurzamer,’ vermeldt de agenda voorts. De sector moet energieneutraal zijn in 2030 en klimaatneutraal in 2040. De teelt moet in 2030 nagenoeg emissie- en residuvrij zijn. In datzelfde jaar moet de eerste volledig gewasbeschermingsvrije bollenoogst zijn gerealiseerd. De gemeenten willen ‘het gehele bollen-, vaste planten- en bloemencomplex herstructureren, versterken en vernieuwen’. Wat dat inhoudt weet nog niemand, de gemeenten willen eerst de ISG-actualisatie afronden.

Zoals bollenkweker Van Steijn al zei: ‘Er komt een hoop op ons af.’

Met een cryptisch slot in de uitvoeringsagenda moeten de Bollenstrekers het doen: ‘We hebben een droom waarbij onze identiteit wordt behouden en versterkt. Waarbij alles verandert, zodat we in de kern hetzelfde blijven: krachtig en kleurrijk.’

Lees ook deze uitgebreide reconstructie: Tussen en hoop en vrees in de bollenvelden: ’Ze vallen de streek aan, Joop, je moet iets doen. We gaan eraan!’

Net binnen