Op een bedrijfsuitje leer je je collega’s kennen | Column

Maaike van der Plas

Het is een bekende sollicitatievraag in het ziekenhuis waar ik werk: hoe zou jij het teambuildingsuitje voor de arts-assistenten neurologie organiseren? Zelf heb ik mijn antwoord ongetwijfeld bij elkaar gelogen, omdat de waarheid is dat ik de laatste persoon ben aan wie je deze verantwoordelijkheid moet overlaten.

Mijn idee van de perfecte zaterdag is ’s ochtends in m’n eentje een flink stuk wielrennen en daarna de middag en de avond doorbrengen met een goed boek of een mooie serie, in gezelschap van mijn kat, die – wegens opvallende gelijkenissen met mijn eigen persoonlijkheid – bijna altijd drie meter afstand bewaart en ook haar eigen ding doet. Dit is geen carrièrebevorderende respons. Toch twijfel ik, terwijl ik het zware geweer tegen mijn schouder druk en mijn vinger op de trekker plaats, of ik destijds hoge ogen had gegooid met het beschrijven van de activiteit die dit jaar op het programma staat.

„Niet nadenken!”, roept de instructeur, wiens aanwijzingen ik nauwelijks door mijn oordoppen heen kan horen. „Als je te veel nadenkt, ben je altijd te laat!” Dit is een ingewikkeld advies aan een groep neurologen, besef ik, als de zoveelste kleiduif ongedeerd uit beeld verdwijnt. Wij zijn bij uitstek een verzameling mensen die hun geld verdienen door te kijken, te analyseren en vaak ook af te wachten. In ons vak kun je in de meeste gevallen beter eerst nog drie keer nadenken voordat je een conclusie trekt. Deze bedachtzaamheid is bij bijna iedereen een onderdeel van de persoonlijkheid. In de dagen voorafgaand aan ons uitje, waarvan het programma tot het moment suprême geheim is gehouden, hebben in elk geval zeven personen de drie organisatoren benaderd met hun zorgen over welke outfit of schoenen ze moeten aantrekken.

Als ik het geweer weer even heb afgegeven aan de volgende, sta ik met verbazing om me heen te kijken. Voor me staat een collega, normaal gesproken best gezegend met een grote mond en een flinke dosis lef, consequent met haar ogen dicht te schieten. Een ander leunt zodanig met haar bovenlichaam naar achteren dat het lijkt alsof ze auditie doet voor een gangsterfilm. De jongste arts-assistent, pas twee weken deel van onze groep, ondergaat een ware ontgroening aan de hand van zijn instructeur, die herhaaldelijk blijft schreeuwen: „TREK ’M DOOR! Haal het konijn in en dan knallen! Nee, je zit te hoog! TE HOOG!” Als ondanks deze adviezen de schietschijf die dienstdoet als klein wild opnieuw wordt gemist, schudt hij teleurgesteld zijn hoofd. Intussen staan drie andere collega’s grijnzend het tafereel te filmen. Een paar meter verderop knalt onze kleine en stille migrainespecialist koelbloedig vijf kleiduiven op rij af.

Voorafgaand aan dit weekend had ik nooit geraden dat het juiste antwoord op de sollicitatievraag over het assistentenuitje zou luiden: „Ik geef iedereen een groot geweer en laat ze een uur lang kleiduiven aan kleine stukjes knallen. En als ze dan uitgeteld zijn van de adrenaline, schotel ik ze een bierproeverij voor en voer ik ze allemaal dronken.”

Maar toch is het zo.

Net binnen