René Diekstra vindt de huidige Olympische Spelen ouderwets en te zeer gericht op fysieke heroïek. Hij bepleit verandering

René Diekstra

Daar staan ze op de trappen van Paleis Noordeinde, de 36 medaillewinnaars van Tokio. Glimmend, trots, toegejuicht, zelfs door koning, koningin en minister-president. Ik zoek bij mezelf naar een brokstukje jaloezie – ’zou ik daar ook willen staan?’ – maar ik vind het niet. Ik gun ze hun succes van harte, voluit.

In de voorafgaande dagen heb ik ze nu eens in tranen van vreugde na winst, dan weer van verdriet na verlies gezien. Oprechte emoties die duidelijk maken dat het hier niet gaat om oppervlakkige, gespeelde of hysterische uitingen, maar om het na veel inspanning en spanning al dan niet bereiken van een lang verlangd doel. Overwinnings- en verliesemoties, uitingen van een universeel verlangen dat diep in onze biologie en psychologie verankerd moet zijn.

Ooit door de antropoloog Ernst Becker in zijn prachtige boek ’De ontkenning van de dood als drijfveer van het menselijk handelen’ - winnaar van de Pulitzerprijs in 1974 - als volgt omschreven: „Het verlangen om op de een of andere manier een held of heldin, een wezen van bijzondere waarde in de eigen groep te zijn.”

Het is voor dat verlangen dat drieduizend jaar geleden al Olympische Spelen georganiseerd werden. En nog altijd zijn ze het toneel voor hoge heroïek, het podium bij uitstek om je van gewone mensen te onderscheiden. Dichter bij de Goden te komen, volgens de oude Grieken. Het Oudgriekse woord voor held is heros, dat letterlijk halfgod of -godin betekent. De olympische winnaar levert een ’heroïsche’ prestatie en is daardoor geen gewoon mens meer, weliswaar ook geen God, maar iets daar tussenin. Maar als de drang tot heroïek universeel is en olympische podia om dat op te bewijzen maar voor heel weinig mensen bereikbaar zijn, hoe zit het dan met de rest van ons ’ordinaire’ aardbewoners? Blijft ons heroïsch verlangen per definitie onbevredigd, en daarmee ook ons leven in zekere zin?

Becker wijst erop dat een van de functies van cultuur in samenlevingen als de onze is status en rollen te bieden waarmee verschillende graden van heroïek en waardering verbonden zijn, variërend van olympische prestaties tot vrijwilligerswerk. Maar hij wijst er ook terecht op dat er met die hoogste, die olympische, iets mis is. Want die gaan niet over ’heel de mens’, zoals sportbonzen altijd beweren, maar enkel over zijn fysieke prestaties.

Intellectuele vaardigheden als schaken en dammen zijn nog altijd geen olympische sporten. Dat geldt nog sterker voor psychologische vaardigheden als geheugenkracht, stressweerbaarheid, sociaal-emotionele probleemoplossings- en hulpverleningsvaardigheden, en empathie. Allemaal vaardigheden die goed te oefenen, te meten zijn. Waarmee te wedijveren is en die minder egocentrisch of zelfverheerlijkend zijn dan de fysieke vaardigheden op de gangbare Olympische Spelen, en ze daarom in psychologisch en moreel opzicht overtreffen.

Dat de Oude Grieken niet verder dan fysieke Spelen zijn gekomen, is nog tot daar aan toe. Maar dat ook wij dertig eeuwen later nog altijd niet veel verder gekomen zijn dan fysieke heroïek, is beschamend. Hoog tijd te besluiten dat Tokio de laatste keer is geweest dat de Spelen op deze ouderwetse manier zijn georganiseerd.

(Reageren?: diekstra.rene@gmail.com)

Net binnen