Premium

Vier generaties orgelbouwen in Soest; ’Elke verbinding van toets naar orgelpijp moet kloppen, een lastige puzzel in mooie jas’

Vier generaties orgelbouwen in Soest; ’Elke verbinding van toets naar orgelpijp moet kloppen, een lastige puzzel in mooie jas’
Iedere orgelpijp heeft zijn eigen plek op de windtafel die ook de buitenmaten van het orgel aangeven, Hans Elbertse zet een pijp op zijn plek.
© Foto’s STUDIO KASTERMANS ALEXANDER MARK

Met opperste concentratie wrijft Jos Elbertse (33) bladgoud op de metalen orgelpijpen. Geen stofje of zuchtje wind mag erbij komen, vandaar dat de ruimte is afgeschermd met een dubbele deur. „Ik moet doorwerken, over tien minuten is de lijm uitgewerkt en moet ik klaar zijn”, verontschuldigt hij zich, terwijl hij voorzichtig flinterdunne blaadjes folie bedekt met 14 karaats goud op de pijpen wrijft. „Mooi hé? Het is nog een echt ambacht het orgelbouwen”, vertelt hij met een glimlach van oor-tot-oor. Een ambacht dat al vier generaties Elbertse weet te boeien.

Het ontstaan van Elbertse Orgelbouwers leest als een spannende roman die begint met de geboorte van Johannes Josephus Elbertse op 5 februari 1883. Hij groeit, samen met zijn zusje, op in het Rooms-katholieke weeshuis St. Hieronymus in Utrecht. In 1895 wordt daar een nieuw mechanisch orgel geplaatst door de befaamde orgelbouwers Maarschalkerweerd & Zn. De jonge Johannes mag meehelpen, het begin van zijn liefde voor pijporgels. Hij start als jongste bediende bij het bedrijf en groeit door tot Meesterknecht. In 1917 start hij zijn eigen bedrijf en in 1926 vestigt hij zich in Soest, nog steeds de plek waar Elbertse Orgelbouwers is gevestigd. Hans Elbertse (68), de derde generatie, staat nu aan het roer. Zoon Jos staat in de startblokken om het bedrijf straks over te nemen.

Ze maken en restaureren pijporgels; orgels aangedreven door lucht of beter gezegd ’wind’, in de beroepstaal. Vaak orgels voor kerken, maar ook voor theaters, concertgebouwen of bij mensen thuis. Ze maken de binnen- én buitenkant; van de pijpen, windbalgen, ventielen en toetsen binnenin tot de vaak prachtig bewerkte buitenkant. „De echt fijne bewerkingen aan de buitenkant laten we aan een houtsnijder over”, nuanceert Hans. „En we zorgen dat iedere pijp de juiste klank krijgt, de juiste intonatie. Dan maak je de opening in de pijp iets hoger, nauwer of juist groter, hooguit een millimeter. Of de kern binnenin verplaats je iets. Soms gaat dat vanzelf, met andere ben je uren zoet.” Bij grote orgels een klus waarmee de orgelbouwers maanden zoet zijn.

„Je hebt vier hoofdsoorten; Frans romantisch orgel, Duits romantisch orgel, Barok orgel en het Hollands orgel dat tussen barok en romantisch inzit. Romantisch is verfijnd, omfloerste, zwoele klanken, vaak de voorkeur van de katholieke kerk. In een gereformeerde kerk hebben ze vaak Barok orgels, krachtiger, die kunnen echt de kerkgangers overstemmen.”

Principes

Het oudste orgel dat ze hier gerenoveerd hebben, dateert uit 1460. „Eigenlijk zijn de principes sinds die tijd niet heel erg veranderd”, weet Hans. „Ja, natuurlijk heb je tegenwoordig ook elektronisch en elektrisch aangestuurde orgels, maar orgels zijn vooral puzzels die je helemaal kloppend moet zien te krijgen. Elke verbinding van toets naar orgelpijp moet kloppen.” Een klein orgel heeft zo’n tweehonderd pijpen, dat kan oplopen tot wel drieduizend pijpen, knappe puzzels dus.

Hans leidt ons rond door de werkplaats. In de houtopslag liggen bomen van 25 tot 100 jaar oud te drogen. „Er liggen hier nog bomen die ik als 20-jarige heb gekocht”, vertelt hij. Ze kopen hele bomen in, vaak eiken, die in plakken gezaagd zijn. „Voor de buitenkant gebruiken we kunstmatig gedroogd hout, dat luistert minder nauw.” De machineloods is voor het grovere werk, bijvoorbeeld het zagen van planken voor de buitenkant. Het meeste werk is echter handwerk, tijdens ons bezoek de restauratie van een orgel met vooral houten pijpen. Behendig maken ze nieuwe pijpen en blaasbalgjes ter grootte van een luciferdoosje voor het instrument. „We lijmen met ’warme lijm’ van beenderen of konijnenhuid, net als vroeger. Die lost op als je het verwarmt en is ook de enige soort die je mag gebruiken bij restauraties”, legt Hans uit. „Het plafond van de werkplaats kan eruit als we grote orgels binnenkrijgen, maar meestal werken we op locatie.” Op de eerste etage bevestigt Jos bladgoud aan frontpijpen of prestanten. „Dat zijn de pijpen aan de voorzijde van het orgel, bepalend voor het geluid.”

Vier generaties orgelbouwen in Soest; ’Elke verbinding van toets naar orgelpijp moet kloppen, een lastige puzzel in mooie jas’
Heel geconcentreerd voorziet Jos Elbertse de frontorgelpijpen van bladgoud.

Hout voor de bassen

„De pijpen vormen de basis; gemaakt van hout of metaal, afhankelijk van hoe de ’kleur’ van het geluid moet zijn. Grote pijpen, de echte bassen, zijn vaak van hout, de kleinere van metaal”, legt Hans uit. „Maar je kunt ze gewoon door elkaar gebruik in een orgel.” De pijpen staan in rijen (registers) opgesteld op een windtafel. „Een grote tafel waarop je ze vastzet en die de afmeting van de buitenkast bepaalt.” De pijpen worden aangestuurd met knoppen en toetsen: met een knop, net zo’n ouderwetse trek deurbel, kies je een register. Met de toetsen bespeel je de verschillende pijpen in het register. „Allemaal met elkaar verbonden met houten latjes, dat moet je uittekenen: hoe kom je bijvoorbeeld vanuit een toets bij dat ventiel aan de achterkant? Armpje naar beneden, omhoog, naar achteren en dan gaat achteraan het ventiel open. Een soort routeplan met routes van wel tien meter. Dat is een hele uitzoekerij.” Daarna bepalen hoe groot de windbalgen moeten zijn, of ze binnen of buiten het orgel geplaatst worden. „En dan pas ga je bouwen”, vervolgt Hans. „Een gemiddeld orgel teken je in drie dagen en maak je in twee maanden. Maar er zijn er waar we wel vijf jaar aan gewerkt hebben.”

Orgelpark

Zoals het Nieuwe Barokorgel uit 2018 in het Orgelpark Amsterdam. Acht meter hoog, acht meter breed en tweeënhalve meter diep, prachtig ’barok’ versierd en gebouwd na het Hildebrandt orgel in Hettstedt Duitsland. „Zo’n orgel waar Bach vroeger op speelde”, vertelt Hans trots. „Daar hebben we wel anderhalf jaar op gestudeerd, voordat we die gingen bouwen.” Niet alleen; een hele groep werkte aan dit grote project. Elbertse stak 450 uur in het voorwerk en is drie jaar aan het bouwen geweest.

Het Orgelpark, vlakbij het Vondelpark, is een concertzaal voor orgels waar alle soorten muziek gespeeld worden, in combinatie met dans, ballet en theater. Er staan nog acht andere orgels in de bijzondere concertzaal.

Zo’n zelfde opdracht komt er misschien weer aan, voor het Orgelparadijs in Rotterdam. „Dat wordt heel modern, het uiterlijk willen we baseren op de scheepvaart. Zo’n orgel heb je nog nooit gezien. Heel spannend”, glundert Hans. Het wordt weer een lastige puzzel in een mooie jas.