Is de bakfiets alomtegenwoordig? Straatbeeld zegt veel over stemgedrag van de bewoners

De bakfiets heeft ook het straatbeeld bereikt in de flagshipstore van een speelgoedmerk in de Amsterdamse Kalverstraat.
© ANP/Koen van Weel
Amsterdam

Stemvee, kiezersvolk, termen die op gelijkvormigheid duiden. Wat een ieder in het stemhokje doet mag dan geheim zijn, van een afstandje bezien gaat individualiteit op in de uniformiteit van de groep. En dat leent zich voor generalisatie en stereotypering.

Onderzoeker Sjoerd van Heck van Ipsos geeft er een paar ten beste: hoogopgeleide stedelingen met een bakfiets kiezen D66 en GroenLinks, in de provincie geeft men zijn stem het liefst aan het CDA en in van scooters vergeven woonwijken met rolluiken voor de ramen scoort PVV het best. Electoraal geograaf Josse de Voogd stelde tien jaar geleden in zijn boek ’Bakfietsen en rolluiken’ een theorie op over het verband tussen woonplek en stemgedrag, die dit verschijnsel beschreef.

Van Heck werkt voor onderzoeksinstituut Ipsos. Hij liep de Ipsos-peilingen uit 2019 na, met 13.637 respondenten, om te zien of de theorie van De Voogd daar steun in vindt. 22 procent van de respondenten was laag opgeleid, 40 procent middel en 38 procent hoog. Van PVV-aanhangers is 40 procent laag opgeleid, 48 middel en 12 hoog. Dat is aan de andere kant van de lijst, bij D66 omgekeerd. 62 procent hoogopgeleid, 27 middel en 11 laag. Wat GroenLinks maar weinig ontloopt. Populistische kiezers zijn vaker laag opgeleid.

Hoogopgeleiden zijn ondervertegenwoordigd onder de achterbannen van PVV, 50Plus, SP en FvD, maar vooral onder PVV- en 50Plus-kiezers. Daar zijn laagopgeleiden zwaar oververtegenwoordigd. Bij SP en FVD is dat niet het geval. CDA en PvdA doen hun naam als traditionele middenpartijen eer aan, zegt Van Heck, want hun kiezers vormen qua opleidingsniveau een bijna perfecte afspiegeling van de samenleving.

Een andere meetlat om de achterbannen langs te leggen is die van de leeftijd. Naast, dat spreekt welhaast vanzelf, bij 50Plus, zitten de 55-plussers met name bij PvdA en CDA. Bijna twee op de drie kiezers van de PvdA en het CDA zijn 55 jaar of ouder. Dat geldt ook voor de SP. D66 en GroenLinks hebben veel minder moeite om jongeren te bereiken. Bijna een op de drie stemmers op deze partijen is jonger dan 35. Voor de PVV geldt dat ze een oververtegenwoordiging van kiezers in de middengroep (35-54 jaar) hebben.

Tegenpolen

Vrouwen zijn linkser dan mannen, dat heet het ’gender gap’. Van Heck zag dat mannen beter vertegenwoordigd zijn onder de aanhang van rechtse partijen als FvD, CDA en VVD en vrouwen juist bij die van SP en GroenLinks. Toch trekt het linkse PvdA iets meer mannelijke kiezers dan vrouwelijke, evenals de PVV. „Terwijl de partijen qua ideologie zo ongeveer perfecte tegenpolen zijn.”

Ipsos registreerde bij de peilingen uit welke regio de respondenten afkomstig zijn. Dat is wat anders dan de exacte woonplaats en omdat De Voogd in zijn theorie inzoomt op wijkniveau, viel die aan de hand van de Ipsos gegevens niet te toetsen. „Toch zijn er een paar interessante patronen te ontdekken. Zoals wellicht te verwachten: D66 heeft iets meer aanhang in de drie grote steden Amsterdam, Rotterdam en Den Haag, inclusief hun randgemeenten. Stedelijke kiezers zijn enigszins ondervertegenwoordigd bij het CDA. In het zuiden van het land trekken PVV en SP relatief veel kiezers.”

Dat bepaalde stereotyperingen kloppen, komt er dus wel uit. Zoals de oververtegenwoordiging van vrouwen onder linkse kiezers. En doen partijen als GroenLinks en D66 het goed onder hoogopgeleiden. En in de stad. Van Heck: „Om het bakfiets-rolluikmodel echt te testen, is er een fijnmaziger geografische classificatie van kiezers nodig dan wij hebben gebruikt.”

Kijk voor alle verkiezingsverhalen in dit dossier: Lees hier alles over de Tweede Kamerverkiezingen van 2021

Net binnen