Door te dichten leeft Jabik Veenbaas dubbel: ’Mijn bundels lezen voor mij soms als een dagboek’

Dichter en filosoof Jabik Veenbaas in zijn werkkamer te Bakkum.
© Foto Studio 2 Media/Gwendelyn Luijk
Bakkum

Hij dicht over wat hem raakt. En met zijn gedichten hoopt Jabik Veenbaas (61) anderen te raken. In het Nederlands en in het Fries. „Poëzie geeft uiting aan de kleine bewegingen van de ziel”, aldus de in Bakkum woonachtige dichter, filosoof en essayist.

Hij is auteur van acht dichtbundels en ’De Verlichting als kraamkamer’, een in de pers bejubelde bundeling van essays over denkers uit de Verlichtingsperiode. Ook vertaalde hij tal van boeken uit het Engels, Duits, Fries en Frans naar het Nederlands.

Zijn eerste gedicht schreef hij toen hij dertien was. Zijn eerste publicatie, in de schoolkrant, volgde twee jaar later. Zijn eerste boekpublicatie was in een bundeling van ’Mokumse dichters’. Een jaar of twintig was hij toen, en nét vanuit Friesland naar Amsterdam verhuisd.

„Toch heeft het tot mijn veertigste geduurd voor mijn poëzie volwassen werd. Ik moest mijn eigen toon vinden”, zegt hij. Die toon houdt in: vrij vers, nadruk op beelden, heldere zinnen, wars van regels. „Ik voel zelfs een lichte weerzin tegen het dichten volgens vaste stramienen. Daar worden die gedichten alleen maar machientjes van, waar geen geur of kleur aan zit. Daarnaast houd ik van helderheid. Mijn gedichten hoeven niet onbegrijpelijk te zijn om interessant te zijn.”

Zijn jeugd in Friesland leverde stof op tot nadenken, en tot dichten. „Ik groeide op in een echt gat. Een idyllisch terpdorp met een kerk en driehonderd inwoners, op tien kilometer ten zuidwesten van Leeuwarden. Na het gymnasium ontgroeide ik mijn dorp.”

In ’Mijn vader bad’ (2015) onderzocht Veenbaas de gecompliceerde relatie tot zijn vader. „Bij ons thuis zat altijd de oorlog aan tafel”, zegt hij nu. Zijn vader vocht in het verzet en was op zeker moment gedwongen onder te duiken. Diens oorlogstrauma drukte een zwaar stempel op het gezin. „Ik heb daarvan geleerd dat sommige wonden zo diep zijn dat iemand ze nooit te boven komt. Terwijl mijn vader, als verzetsstrijder, toch ook een sterke, onafhankelijke man was die tegen het fascisme in opstand durfde te komen.”

Zijn moeder wist er met bewonderenswaardig optimisme het beste van te maken. „Zij had een enorm talent voor levensgeluk en beschikte over een meer dan gemiddelde wijsheid. Dankzij haar bleef het gezin erbovenop. Hoewel wij zeker geen standaardgezin waren, was het toch een warm nest. Die elementen hebben mij gevormd. ”

Filosofie

Naast dichter is Veenbaas dus ook filosoof. Die twee zaken liggen heel dicht bij elkaar, vindt hij. „Ook filosofen hebben een beschouwende, reflectieve aard. Filosoferen is het wijs en verstandig redeneren over processen in de samenleving. Dichten is intuïtiever, dat wel. Maar ook filosofen verkondigen geen absolute waarheden, en dichters zijn geen van verstand gespeende, op hol geslagen dwazen. Voor mij schuiven die twee takken daarom in elkaar over.”

Zijn jongste dichtbundel ’Soms kijkt de aarde me aan’ verscheen in oktober van 2020. Daarin schrijft hij over filosofie, en dat doet hij niet zonder zelfspot. „Een relativerende toon brengt je verder”, zegt hij daarover. „Als je kritisch kijkt, ook naar jezelf, blijft de geest in beweging.”

Anders dan zijn filosofieboeken, waaraan Veenbaas zeer gestructureerd werkt, ontstaan zijn gedichten vaak spontaan. Voor zijn plotselinge ingevingen gebruikt zijn vrouw een uitdrukking die hij hier niet zal herhalen. Maar het is een feit dat inspiratie hem raakt. Acuut. Als hij een film kijkt of in bed ligt. En dat hij daar gelijk actie op neemt. „Ik ben er altijd op alert en noteer direct wat er in mij opkomt.”

Bedreigde taal

Zijn eerste vier dichtbundels waren Friestalig. De laatste jaren publiceert Veenbaas alleen nog in het Nederlands. „Toch voel ik nog altijd een soort morele verantwoordelijkheid richting het Fries. Het is de taal van mijn jeugd, en bovendien een bedreigde taal. Na mijn studie Engels heb ik zelfs een kopstudie Fries gedaan om daar recht aan te doen. Met mijn broers spreek ik nog altijd Fries, en na zo’n gesprek betrap ik mezelf erop ook in het Fries te denken. Het Fries en het Nederlands zijn voor mij twee verschillende instrumenten die ik kan bespelen.”

Al zestien jaar woont Veenbaas in Bakkum. Hij hoopt er niet meer weg te gaan. „Ik ben hier geworteld inmiddels. Die wortels heb ik nodig. Ik ben iemand die geestelijk veel reist. Daarvoor heb ik een vast vertrekpunt van veiligheid en vastigheid nodig. Dat vind ik in mijn gezin en in dit huis en in dit dorp.”

Het ’spiritueel thuiskomen’ is ook het thema van zijn gedicht ’Dorp aan Zee’. Klanten van de Castricumse boekhandel Laan krijgen het deze maand bij een bestelling cadeau. Veenbaas schreef het gedicht enige jaren geleden al, toen een potvis voor de Nederlandse kust werd gesignaleerd en Castricum even het middelpunt van de belangstelling werd. Het gedicht voert hem terug naar dat moment. „Mijn bundels lezen voor mij soms als een dagboek. Alsof ik door te dichten dubbel leef, denk ik weleens.”